Het slachtoffer grijpt de macht en neemt wraak – Interview met Hans Boutellier

Hans Boutellier

In de jaren negentig verheugde Hans Boutellier zich nog over de ontdekking van de slachtoffermoraal. In een tijd waarin alles gerelativeerd werd, was er tenminste één ding waarover we het eens waren: slachtoffers moet je beschermen. Maar nu grijpt het slachtoffer de macht, en maakt zich meester van de wraak. Een verontrustend perspectief.

We zijn bij je terechtgekomen omdat we een verband zien tussen slachtofferschap en populisme. Jij bent in 1993 gepromoveerd op de studie ‘Solidariteit en slachtofferschap’. Kun je iets over de achtergrond daarvan vertellen?

Eind jaren tachtig begin negentig was ik intensief bezig met het vraagstuk van de publieke moraal. Als iedereen ‘van God los’ is, is moraal een private kwestie geworden. Wat bindt ons dan nog en waar ligt dan nog een gemeenschappelijke grond? Dat was mijn thema in een tijd die werd gestempeld door superrelativisme.

Ik had persoonlijk een omslag meegemaakt. In mijn studententijd waren Foucault en Goffman heel populair met hun ideeën over disciplinering en totale instituties. Als linkse student die zoekende was, liep ik in 1980 stage in een gesloten heropvoedingsinrichting voor jongeren. Ik vond dat interessant vanuit het Foucault-perspectief: disciplinering ten voeten uit. Gedurende het halve jaar dat ik er rondliep is mijn wereldbeeld echter helemaal veranderd, want ik dacht: tja, we kunnen dit wel disciplinering noemen, maar er zit hier wel een gast voor moord en een ander heeft een mes in de rug van zijn buurvrouw gestoken. Daar moet je dus wat mee. Maar wat?

Die ervaring heeft vervolgens mijn loopbaan bepaald. Aan het relativeren zit een harde grens. Er zijn dingen die we gemeenschappelijk afwijzen: dit kan niet! Aan die stage heb ik mijn interesse voor criminaliteit en publieke moraal te danken. Ik ging er steeds meer over schrijven en werd hoofdredacteur van Justitiële verkenningen, een uitgave voor politie en justitie. Ik noemde die baan ‘mijn tweede studie’. In 1993 leidde dat tot een proefschrift waarin ik eindelijk in staat was te beargumenteren waarom publieke moraal geen open zaak was, dat er uiteindelijk een harde grond zit in de notie van slachtofferschap.

Slachtofferschap schreef met ik een grote S, om het abstracte criterium ervan aan te duiden. De stelling was dat we elkaar herkennen in het slachtofferschap van crimineel gedrag. Dat was ook de ondertitel: de morele betekenis van criminaliteit in een postmoderne cultuur. We zijn fellow sufferers, medeslachtoffer. We vinden het legitiem dat de overheid daar een morele grens trekt. Het slachtoffer als abstracte categorie heb ik uitgewerkt op het gebied van criminaliteit, de discussie over prostitutie en de discussie over seksueel misbruik van kinderen.

Dat laatste begon pas in de jaren ‘90 taboe te worden. Daarvoor was het dat niet.

Precies. Je voelde dat er toen een harde morele grens werd getrokken. Op seksueel gebied mocht alles, maar seks met kinderen niet. Met andere woorden, er ontstond een notie van slachtofferschap die echt een grens trekt. Voor seksueel misbruik en verwaarlozing kwam steeds meer aandacht, ook wetenschappelijk. Dat het een steeds groter thema werd, was interessant, want bij prostitutie zag je precies het omgekeerde. Ik heb toen het begrip ‘victimalisering van de moraal’ geïntroduceerd. De moraal kwam in het teken te staan van de vraag: is hier sprake van slachtofferschap of niet? Bij kinderen duidelijk wel, in het geval van prostitutie werd het ontkend. Prostitutie is in een liberale context een zaak van vrije wil. Er is geen noemer op grond waarvan je haar kunt veroordelen of een prostituée als slachtoffer kunt zien. Dan is er sprake van ‘devictimalisering’.

Mijn conclusie luidde dus dat die postmoderne samenleving niet helemaal open is. We vinden elkaar in de mogelijkheid om elkaar te erkennen als slachtoffer van een bepaalde situatie of persoon of wat ook. Slachtofferschap als de noemer van een publieke, postmoderne moraal.

Er is dus consensus over dat wat we afwijzen, maar wat wijzen we precies af?

Wreedheid, vernedering en slachtofferschap. Over het goede leven, bijvoorbeeld over de vraag hoe je goed moet opvoeden, hoeven we het niet eens te zijn – dat moet iedereen zelf weten – maar wreedheid gaat te ver. Dat is cruciaal, leerde ik van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty. Via hem kwam ik bij Judith Shklar, een Amerikaans filosofe die een boekje heeft geschreven over vices: wat is het ergste? In een mooi betoog komt ze tot de conclusie dat in een liberale context cruelty het grootste kwaad is. In een ideologische context ligt het anders. Vanuit het perspectief van Isis bijvoorbeeld, is wreedheid niet het grootste kwaad.

Wat mij bovendien veel inzicht verschafte, is haar stelling dat hypocrisie, wat velen misschien zouden bestempelen als een groot kwaad, niet bij voorbaat fout is. Sterker nog: hypocrisie is tot op zekere hoogte juist nodig in een liberale democratische context. Je hebt een beschavingsbuffer nodig die tot op zekere hoogte hypocriet is. Je komt iemand tegen en je denkt: wat een rare kop heeft die gast, of wat een vervelende kwast, maar dat zeg je niet. Je zegt niet wat je denkt. Pim Fortuyn is dat om gaan draaien, bijvoorbeeld toen hij tegen Wouke van Scherrenburg zei: “Mens, ga toch koken.” Daarmee zette hij de deur open voor één grote modderstroom, die zelfs het parlement bereikt heeft: ‘Doe normaal, man’; ‘tuig van de richel’; ‘pleur op’. Zeggen wat je denkt is een deugd geworden in plaats van een ondeugd.

Hoe reageerde je op je eigen ontdekking dat het relativisme niet grenzeloos is? Was je opgelucht? Of misschien bezorgd dat juist slachtofferschap de grens bepaalde?

Destijds voelde ik absoluut opluchting. Ik was net vader geworden en dan zit je toch in de modus: waar moet dit allemaal naartoe? Naar links was het een intellectueel statement: er is wel degelijk een ondergrens en naar rechts: jullie zorg is niet terecht: de samenleving glijdt niet af naar totale immoraliteit, er is wel degelijk sprake van een noemer waarop we een samenleving kunnen voortbouwen. Uiteindelijk is die stelling natuurlijk helemaal niet zo spectaculair als je haar relateert aan het schadebeginsel van John Stuart Mill, of de regel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat ben ik eigenlijk pas later gaan zien.

Toen opluchting, maar hoe zie je het nu?

Een mens denkt verder. Daarvoor moet ik even een inkijkje geven. Destijds werd mijn proefschrift heel goed ontvangen. Paul Schnabel noemde het in NRC Handelsblad zelfs een lichtgevend proefschrift. “Dit is weer eens een intelligent proefschrift, een fysieke ervaring om te lezen. Waarom ben ik er zelf niet opgekomen.” Dat hing een hele tijd boven mijn bureau. Maar tot mijn stomme verbazing kreeg ik destijds ook felle tegenreacties. Bijvoorbeeld van Heikelien Verrijn Stuart, een prominente linkse juriste, die het een fascistoïde proefschrift noemde. Ik was echt van de kaart. Haar punt was, en dat ben ik dan later wel gaan begrijpen: op het moment dat de staat via het strafrecht in het teken komt te staan van de wraak, is zijn macht onbegrensd. Omdat wraak een onverzadigbare emotie is. Dat creëert de mogelijkheid van een totalitaire staat. Dat was natuurlijk overdreven, maar ze had wel een punt.

Voor christenen een vertrouwde gedachte: als mens moet je je emoties temperen, want aan God komt de wraak toe. Een disciplinerende notie.

Inderdaad. En ook het strafrecht is natuurlijk niet een wrekende maar een vergeldende institutie. Dat onderscheid is belangrijk. Ook het Bijbelse principe van oog om oog is gericht op vergelding om de redeloze wraak te voorkomen. Het gaat om de proportionaliteit.

Ik ben uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat die ‘slachtoffermoraal’ te dun was, te relativerend en te beperkt. Ik heb overigens ook nooit willen zeggen: zo moeten we onze samenleving gaan inrichten. Maar het is duidelijk dat in normatieve zin de slachtoffermoraal tekortschiet. De notie van slachtofferschap is ook enorm gaan schuiven: er is steeds minder overeenstemming over de vraag wat slachtofferschap is.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.