Begrippen berusten op analogieën – Interview met Kars Veling

Kars Veling

Kars Veling is logicus, maar dat is niet waarmee hij naam en faam verwierf. Veel meer is hij bekend als voorvechter van de democratische rechtsstaat. Zit dat verschil vast op interesse, zoals Jeroen de Ridder zou zeggen – de een houdt van logica en de ander van democratie? Nee. Bij Kars Veling is het een kwestie van ‘op je weg komen’. Hij heeft ervaren dat zinvolle dingen die dichtbij komen hem vanzelf gaan boeien. Overigens ligt zijn brede werktafel sinds hij met pensioen ging weer vol met uitgaven over logica en filosofie.

Logica en analytische filosofie zijn bijzonder nuttig, vindt Kars Veling. “Ze leren je conceptueel denken en zindelijk redeneren. Maar wie ze als bron van werkelijkheidskennis beschouwt, moet wel teleurgesteld worden.

Analytische filosofen vinden houvast in formele methoden, maar ze doen de belangrijkste kwesties via simpel ogende definities en aansprekende analogieën te gemakkelijk af. Dat zie je bijvoorbeeld in de discussie over argumenten voor Gods bestaan, waarvoor recentelijk weer veel aandacht is. Wie bijvoorbeeld ‘eerste oorzaak’ in een definitie als kenmerk van God introduceert (denk aan het eerste duwtje dat achtereenvolgens alle dominosteentje in een grote sporthal doet omvallen), slaat belangrijke vragen over. God eren als de eerste oorzaak kan in een gedicht, om ootmoed aan te moedigen. Maar filosofisch begint het dan pas. Het begrip ‘oorzaak’ is in de natuurwetenschap niet eenduidig. Hoe zit het met menselijk gedrag waarvan we zeggen dat het voortkomt uit redenen? En kom je met God als eerste oorzaak niet gemakkelijk in deterministisch vaarwater terecht?”

“Wat Jeroen de Ridder en Emanuel Rutten doen in hun boek En dus bestaat God, doet mij denken aan mijn lagereschooltijd. Je herinnert je misschien wel die schoolbankjes van vroeger; bankjes uit één stuk waarmee de tafel aan de onderkant verbonden is. Die schoolbankjes waren van beukenhout en hadden een prachtige regelmatige nerfstructuur. Ik had toen een spelletje voor mezelf bedacht. Ik legde mijn boeken en schriften zo neer dat ik er een vlak mee afbakende, en dan schoof ik net zo lang tot het streepjespatroon binnen de gevormde rechthoek volmaakt regelmatig was. Dat gaf een bepaalde voldoening. Maar als je maar iets verschoof was het weg. Zo kan ik me voorstellen dat het werk van Rutten en De Ridder een bepaalde bevrediging geeft, maar enkel onder zeer bepaalde voorwaarden. Alleen als je op een bepaalde manier de zaken afbakent. Dan en alleen dan. Daarbuiten is het weg.”

Verhaal

Wie je bent is een verhaal. Als directeur van de Johan de Witt Scholengroep in Den Haag leerde Kars Veling zijn leerlingen bij maatschappijleer het volgende: “Als mensen vragen wie je bent, zeg dan: ‘Heb je even twee minuten? Ik ben niet alleen maar Nederlander of Nederlander-en-toch-Turks. Wie ik ben is een verhaal.’” Onder deze titel bundelde hij in 2008 opstellen van havo-5-leerlingen over hun identiteit. Zelf schreef hij ook een verhaal: “Ik ben een Groninger uit een serieus gereformeerd nest. Van jongs af heb ik me gerealiseerd dat veel Nederlanders ons geloof niet delen. En van huis uit kreeg ik het gevoel mee dat je met eigenwijze westerlingen een beetje moet oppassen. Meer dan een halve eeuw later woon en werk ik in de Randstad. Ik heb m’n geloof nog steeds en ik heb in en om de school waar ik werk contact met zo’n bonte verscheidenheid aan mensen, dat mijn nu 84-jarige moeder er niet veel van begrijpt. Wie ik ben is een verhaal. Een verhaal met een voorgeschiedenis. Een verhaal dat ik bezig ben te schrijven. Een verhaal met meerdere verhaallijnen. Een verhaal waarin sommige gelovige mensen ook de hand van een Auteur zien. Hoe mijn verhaal verder gaat? Laten we het er eens over hebben.”

De buitenwereld

In dat verhaal laat Veling veel kanten van zichzelf zien, bijvoorbeeld zijn wiskundige kant die hij combineert met politiek, filosofie of pedagogie tijdens de les maatschappijleer: “Ik tekende een aantal concentrische cirkels op het bord om te illustreren wat er gebeurt als een kind groter wordt. Wat buiten het vertrouwde wereldje gebeurt, is aanvankelijk vreemd. Kinderen hebben de neiging om wat ze kennen als maatstaf te nemen voor de beoordeling van wat anders is. Er komen andere mensen de leefwereld binnen van kinderen, anderen die het vanzelfsprekende van thuis relativeren. Spannend wordt het wanneer strijdigheid lijkt te bestaan tussen thuis en de buitenwereld. (..) Jonge mensen kunnen op bepaalde punten afstand gaan voelen tot thuis. Velen blijven waarde hechten aan wat ze van huis uit hebben meegekregen. Hoe dan ook, ze zullen een manier moeten vinden om Nederlander te zijn, en tegelijk ‘anders dan de Nederlanders’, zoals de leerlingen het zelf vaak uitdrukken. Schakelen betekent het zoeken naar een verbinding tussen verschillende werelden, waardoor het mogelijk wordt om in Nederland een begaanbare weg te vinden en een eigen identiteit te ontwikkelen.”

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.